|
Origineel |
www.devlijtigebie.be |
Publicatie : 2007-03-22 |
|
FEDERALE OVERHEIDSDIENST VOLKSGEZONDHEID, VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN EN LEEFMILIEU EN FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN |
7 MAART 2007. - Koninklijk besluit betreffende de bestrijding van de besmettelijke ziekten van de bijen
ALBERT
II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet
op de dierengezondheidswet van 24 maart 1987, inzonderheid op hoofdstuk III, artikel 17, gewijzigd door
de wetten van 23 december 2005 en 20 juli 2006, artikel 29, gewijzigd door het koninklijk besluit van
22 februari 2001;
Gelet op de wet van 4 februari 2000 houdende oprichting van het Federaal Agentschap
voor de Veiligheid van de Voedselketen, inzonderheid op artikel 4, gewijzigd door de wetten van 13 juli
2001, 22 december 2003, 9 juli 2004 en 20 juli 2005, en artikel 5, gewijzigd door de wetten van 13 juli
2001 en 22 december 2003;
Gelet op het koninklijk besluit van 10 september 1981 betreffende
de bestrijding van de besmettelijke ziekten van de bijen, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit
van 20 juli 2000;
Gelet op het koninklijk besluit van 22 februari 2001 houdende organisatie
van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen
en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen, inzonderheid op artikel 4, § 1;
Gelet
op het koninklijk besluit van 16 november 2001 houdende het toevertrouwen van bijkomende opdrachten aan
het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, inzonderheid op artikel 2, d) ;
Gelet
op het ministerieel besluit van 6 mei 1988 betreffende de georganiseerde bestrijding van de bijenziekten,
laatst gewijzigd bij het ministerieel besluit van 7 mei 2003;
Gelet op het advies van de Inspecteur
van Financiën, gegeven op 27 januari 2006;
Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van
Begroting, gegeven op 24 augustus 2006;
Gelet op het overleg tussen de Gewestregeringen en de
Federale Overheid op 8 mei 2006;
Gelet op het advies van het Wetenschappelijk Comité, ingesteld
bij het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, gegeven op 17 maart 2006;
Gelet
op het advies nr 41.562/3 van de Raad van State, gegeven op 29 november 2006, met toepassing van artikel
84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Op de voordracht
van Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij
:
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen. - Definities
Artikel 1. Amerikaans vuilbroed,
Europees vuilbroed, acariose, varroase bij bijen, de kleine bijenkastkever (Aethinia tumida ) en de Tropilaelapsmijt
worden gerangschikt onder de ziekten bedoeld in Hoofdstuk III van de dierengezondheidswet van 24 maart
1987.
Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° Kolonie
: groep bijen met een koningin;
2° Aangetaste kolonies : de kolonies waarvan de bijen of het
broed na vaststelling van de klinische symptomen, al dan niet na laboratoriumonderzoek, aangetast bevonden
werden door één der ziekten bedoeld in artikel 1;
3° Verdacht aangetaste kolonies : de kolonies
waarvan de bijen of het broed abnormale sterfte vertonen of tekenen welke de aanwezigheid van één van
de ziekten bedoeld in artikel 1 doen vermoeden;
4° Verdacht besmette kolonies :
-
de kolonies die deel uitmaken van een bijenstand, waarin één dezer ziekten, in welke mate ook, werd vastgesteld;
-
de kolonies die door één dezer ziekten kunnen besmet zijn wegens de nabijheid van besmette bijenstanden
of ten gevolge van het contact met biologisch materiaal zoals bijen, broed, was en honing, of om het
even welke voorwerpen die de verwekkers van deze ziekten kunnen overbrengen of bevatten;
5°
Besmette kolonies : de kolonies waarvan in het biologisch materiaal, met name de bijen, het broed of
de honing, na laboratoriumonderzoek, besmetting is vastgesteld met één van de ziekteverwekkers bedoeld
in artikel 1, evenwel zonder dat deze kolonies klinische symptomen vertoonden;
6° Haard : de
bijenstand waarvan één of meerdere kolonies door één der ziekten bedoeld in artikel 1 aangetast zijn;
7°
Assistent voor de bijenteelt : de persoon voorgedragen door de « Belgische bijenteeltfederatie » of door
de « Koninklijke Vlaamse Imkersbond », aangeduid door het Agentschap om tussen te komen bij de toepassing
van de maatregelen van gezondheidspolitie voorzien in dit besluit;
8° Imker : de persoon die,
ten welken titel ook, bijen houdt;
9° Agentschap : het Federaal Agentschap voor de Veiligheid
van de Voedselketen;
10° Georganiseerde bestrijding : gemeenschappelijke inspanningen van een
groep imkers om, onder leiding van het Agentschap, in een gebied bepaald door de Minister, bijenziekten
uit te roeien;
11° Besmettingszone : door de Minister afgebakende zone waar een verspreiding
van een ziekte, vermeld in artikel 1, vastgesteld werd;
12° Erkend laboratorium : laboratorium
erkend door het Agentschap overeenkomstig het koninklijk besluit van 15 april 2005 betreffende de aanduiding
van de officiële laboratoria, tot bepaling van de procedure en de erkenningsvoorwaarden van laboratoria
die analyses uitvoeren in het kader van de controleopdracht van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid
van de Voedselketen en tot uitvoering van de wet van 15 juli 1985 betreffende het gebruik bij dieren
van stoffen met hormonale, antihormonale, beta-adrenergische of productiestimulerende werking;
13°
Erkende vereniging : erkende vereniging voor dierenziektenbestrijding zoals bedoeld in hoofdstuk II van
de dierengezondheidswet van 24 maart 1987, met name « Dierengezondheidszorg Vlaanderen (DGZ) » en de
« Association Régionale de Santé et d'Identification Animale (ARSIA) »;
14° Nationaal referentielaboratorium
: het « Centrum voor Onderzoek in Diergeneeskunde en Agrochemie (CODA) » zoals bedoeld in artikel 1 van
het koninklijk besluit van 20 juni 1997 houdende oprichting van het Centrum voor Onderzoek in Diergeneeskunde
en Agrochemie als wetenschappelijke inrichting van de Staat;
15° De Minister : de Minister die
de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft.
Art. 3. De assistent van de bijenteelt volgt
jaarlijks een vormingscursus, georganiseerd door de « Belgische bijenteeltfederatie » en/of door de «
Koninklijke Vlaamse Imkersbond », onder toezicht van het Agentschap.
Indien deze cursus twee
opeenvolgende jaren niet gevolgd wordt door de assistent voor de bijenteelt, wordt de aanduiding nietig
verklaard.
Art. 4. Teneinde het verschijnen of het zich verbreiden van de in artikel 1 bedoelde
besmettelijke bijenziekten tegen te gaan, kan de Minister het vervoer, de verkoop en het tentoonstellen
op beurzen en markten van bijen, alsmede van producten en materialen die besmet kunnen zijn, reglementeren
of verbieden.
Art. 5. Elke bevolkte bijenkorf of bijenkast geplaatst op een terrein dat niet
aanpaalt aan de woning van de verantwoordelijke imker moet voortdurend identificeerbaar zijn.
Hiertoe
moet aan de volgende voorwaarden voldaan zijn :
- indien de korf of kast deel uitmaakt van een
bijenstand voorzien van een bijenhal in bestendige materialen, is de naam en het adres van de eigenaar
aangebracht op de toegangspoort;
- in de andere gevallen, zijn deze gegevens in leesbare en
onuitwisbare letters op alle korven of kasten van de bijenstand aangebracht.
HOOFDSTUK II. -
Sanitaire maatregelen
Art. 6. Iedere imker waarvan de bijenkolonies verdacht worden te zijn
aangetast of besmet door één van de in artikel 1 genoemde ziekten, is gehouden er onmiddellijk aangifte
van te doen bij de Provinciale Controle Eenheid (PCE) van de provincie waar de bijenstand zich bevindt.
Art.
7. Indien na epidemiologisch onderzoek, het Agentschap een bijenstand ervan verdenkt besmet te zijn
met één der in artikel 1 bedoelde ziekten, kan het het onderzoek ervan bevelen.
Art. 8. Wanneer
zich abnormale sterfte voordoet in zijn bijenkolonies, is de imker op eigen initiatief ertoe gehouden
een monster op te sturen naar het Nationaal referentielaboratorium, een erkende vereniging of een erkend
laboratorium.
Wanneer het onderzoek positief uitvalt, is de verantwoordelijke van het betrokken
laboratorium er toe gehouden onmiddellijk de Provinciale Controle Eenheid (PCE) van het Agentschap, van
de provincie waar de bijenstand zich bevindt, te verwittigen.
Art. 9. Wanneer de diagnose van
één der ziekten bedoeld in artikel 1 bevestigd wordt, bakent het Agentschap, in functie van het pathogeen
agens en van de bestaande epidemiologische omstandigheden, rond de haard een schutkring af met een straal
van ten minste 3 km en betekent deze aan de burgemeesters van de betrokken gemeenten.
Indien
het Agentschap het nodig acht, dan schrijft het een bijkomend onderzoek voor van de bijenstanden die
in de schutkring gelegen zijn om een gebeurlijke verspreiding van de besmetting op te sporen.
Wanneer
het Agentschap of de assistent voor de bijenteelt die het vertegenwoordigt, moet overgaan tot een onderzoek
der bijenkolonies, dan is de imker verplicht zijn medewerking te verlenen en zijn materiaal te laten
gebruiken om de kasten te openen en te onderzoeken.
Art. 10. Het is de imkers verboden kolonies,
koninginnen, raten, korven, kasten of bijbehorende gereedschappen voortkomende uit de haard of uit de
schutkring te verkopen, in de handel te brengen, te vervoeren, te verhuren, te lenen, te ontlenen of
zich ervan te ontdoen.
Het is bovendien verboden aan de verenigingen voor bijenteelt, die materiaal
ter beschikking van hun leden houden, dit aan imkers uit de schutkring te lenen.
Art. 11. Indien
de sanitaire toestand het noodzaakt, kan de Minister, in een besmettingszone, afgebakend voor één of
meerdere ziekten bedoeld bij artikel 1, maatregelen nemen die afwijken van de bepalingen van artikelen
8 en 9.
Art. 12. Onverminderd de bepalingen van de artikelen 9, 12, 13 en 14 zijn de imkers
van wie kolonies aangetast zijn door één der ziekten bedoeld in artikel 1 of wier bijenstanden in de
schutkring gelegen zijn, er toe gehouden alle maatregelen toe te passen die door het Agentschap worden
voorgeschreven.
Deze maatregelen worden toegepast onder toezicht van het Agentschap of onder
dit van de assistent voor de bijenteelt.
Art. 13. § 1. Wanneer bijenkolonies aangetast
bevonden worden door vuilbroed, dan zijn de volgende maatregelen van toepassing voor deze kolonies :
1° de bijen worden verdelgd en verbrand;
2° de korven in stro en de raten worden verbrand;
3°
de kasten, de ramen en de voorwerpen die besmet kunnen zijn, worden zorgvuldig gereinigd en ontsmet volgens
de instructies van het Agentschap.
De honing mag onder geen enkele vorm teruggegeven worden
aan de bijen.
§ 2. In geval van besmetting van bijenkolonies of biologisch materiaal
door vuilbroed, beslist het Agentschap hetzij de maatregelen voorzien in § 1, hetzij volgens zijn
instructies, saneringsmaatregelen toe te doen passen.
Art. 14. Wanneer de bijenkolonies aangetast
of verdacht bevonden worden door acariose, mogen zij onderworpen worden aan een geneeskundige behandeling
volgens de aanbevelingen van het Agentschap.
In geval van erge besmetting waar een doeltreffende
behandeling te laat blijkt, kan het Agentschap beslissen de kolonies te vernietigen.
Art. 15.
Wanneer de bijenkolonies aangetast of verdacht bevonden worden door
varroase, mogen zij onderworpen
worden aan een geneeskundige behandeling volgens de aanbevelingen van het Agentschap.
In geval
van erge besmetting waar een doeltreffende behandeling te laat blijkt, kan het Agentschap beslissen de
kolonies te vernietigen.
Art. 16. § 1. Binnen de perken van het daartoe bestemde begrotingsartikel
wordt er aan de bijenhouder een vergoeding toegekend van 125 euros per bijenkorf of bijenkast die bevolkt
waren met kolonies verdelgd op bevel van het Agentschap, met uitzondering van bijenkorven in stro.
§
2. De imker waarvan de bijenstanden niet voldoen aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 16
januari 2006 tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, toelatingen en voorafgaande registraties
afgeleverd door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, verliest alle rechten
op een vergoeding bedoeld in § 1.
De verdelging en de ontsmetting gebeuren in de aanwezigheid
van de assistent voor de bijenteelt.
Art. 17. Het Agentschap heft de maatregelen voorzien in
hoofdstuk II op, zodra het zeker is dat de ziekte verdwenen is of dat de ziektehaard uitgedoofd is.
Het
Agentschap betekent zijn beslissing aan de burgemeesters van de betrokken gemeenten.
HOOFDSTUK
III. - Georganiseerde bestrijding van bijenziekten
Art. 18. In de gebieden waar hij het noodzakelijk
acht en die hij aanduidt, kan de Minister een georganiseerde bestrijding inrichten van de bijenziekten
die hij aanduidt.
Art. 19. De georganiseerde bestrijding van bijenziekten wordt ingericht onder
leiding van het Agentschap, bijgestaan door de assistenten voor de bijenteelt.
Art. 20. In
de gebieden waar een georganiseerde bestrijding van bijenziekten wordt ingericht, kunnen de imkers vrijwillig
tot deze bestrijding toetreden volgens de modaliteiten door de Minister bepaald.
Art. 21. Indien
het noodzakelijk is om een zone vrij te verklaren van een bijenziekte, teneinde de uitvoer van bijenkolonies
mogelijk te maken, kan het Agentschap, binnen de in artikel 17 bedoelde gebieden, het onderzoek bevelen
van de kolonies die toebehoren aan imkers die niet aangesloten zijn bij de georganiseerde bijenziektenbestrijding.
Art. 22. De laboratoriumonderzoeken, verricht in het kader van de georganiseerde bijenziektenbestrijding,
worden uitgevoerd door het Nationaal referentielaboratorium, een erkende vereniging of een erkend laboratorium.
Art.
23. De staalneming, noodzakelijk voor de uitvoering van dit besluit, in het kader van de georganiseerde bijenziektenbestrijding, gebeurt op kosten van het Agentschap.
HOOFDSTUK IV. - Slotbepalingen
Art.
24. De inbreuken tegen dit besluit worden opgespoord en vastgesteld overeenkomstig de wet van 4 februari
2000 houdende oprichting van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en het koninklijk
besluit van 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal
Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen.
Art.
25. De inbreuken tegen dit besluit worden bestraft overeenkomstig de dierengezondheidswet van 24 maart
1987.
Art. 26. Het koninklijk besluit van 10 september 1981 betreffende de bestrijding van
de besmettelijke ziekten van de bijen, wordt opgeheven.
Art. 27. Het ministerieel besluit van
6 mei 1988 betreffende de georganiseerde bestrijding van de bijenziekten, laatst gewijzigd bij het ministerieel
besluit van 7 mei 2003 wordt opgeheven.
Art. 28. Onze minister tot wiens bevoegdheid de volksgezondheid
behoort, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 7 maart 2007.
ALBERT
Van
Koningswege :
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
R. DEMOTTE